‘Wie is die man eigenlijk?’ vroeg ik me de afgelopen vier jaar bijna dagelijks af als ik vanuit mijn huis het dorpscentrum in fietste. Het is een vast ritueeltje geworden: even een blik werpen op zijn erker aan de Hoofdstraat en hij steekt zijn hand al op – ik ook – alsof we oude bekenden zijn. Omdat ik niet wist hoe hij heette, noemde ik hem in mijn eigen hoofd ‘de zwaaier’. Tot vorige week: toen besloot ik de stoute schoenen aan te trekken en eens aan te bellen.
De heer die opendoet heeft een fonkeling in zijn ogen. Hij vindt het prima, zelfs amusant, dat ik hem wil interviewen. ‘’Kom binnen, djen!” De 86-jarige Jacques Bouwman – nou ja, eigenlijk ‘Sjaak’ ‘’maar schrijf het maar als Jacques, want de onderwijzeres op de lagere school vond dat chiquer” is kwiek voor zijn leeftijd. Eenmaal op zijn rode bank genesteld zie ik het voor het eerst vanuit zijn perspectief: het uitzicht op het kruispunt met de Sleënburgsestraat. Wandelaars, fietsers en auto’s banjeren op verschillende tempo’s voorbij. Zelf neemt Jacques plaats in zijn fijne leunstoel. “Dan kan ik in de tussentijd blijven zwaaien, als je dat goed vindt.’’
Natuurlijk, want daarover wilde ik het ook hebben met u. Waarom zwaait u zo graag?
“Ik vind het geweldig! Er komt hier van alles en nog wat langs. Moet je eens kijken! (Een colonne dames met gele hesjes fietst langs). Allemaal netjes met de helm op, wat wil je nog meer? En kijk, daar heb je er alweer een (Jacques zwaait naar een voorbijganger met hond). Je blijft hier maar kijken. Ik vind het hartstikke gaaf, dat de mensen zwaaien, ook de jongelui. Ik ben weduwnaar, wat moet ik anders? Je kan de televisie wel aanzetten, of de computer, maar ik doe liever dit. Dit beweegt tenminste!
Kent u de mensen waarnaar u zwaait ook allemaal persoonlijk?
Ik heb mijn hele leven in Zetten gewoond, dus vele wel. Al ken ik er een hoop ook niet. Soms spreek ik de mensen die ik niet ken wel aan op straat, hoor. Verlegen ben ik niet. Laatst kwam ik een man in het dorp tegen waarnaar ik altijd zwaai. Hij had ineens zijn hand in het gips. Dan vraag ik wel even: ‘wat is er aan de hand?’. Zo raak je aan de praat en kom je nog eens wat te weten. Vroeger had ik een café, toen wist ik alles van Zetten. Niks kon gebeuren of ik wist het. Dat is nu toch anders.
U had een café, hier in Zetten?
Ja, waar nu de kaaswinkel zit, zat vroeger mijn café. Ik nam het café over van mijn ouders, die begonnen er in 1931 mee. Jonge jongens kwamen er voor een biertje, kaarten, biljarten. En de jukebox stond altijd aan, ik heb wel vier verschillende gehad. Ik runde het café samen met mijn vrouw Diny. Ik heb haar leren kennen op een Biertapperijwedstrijd in Nijmegen. Bij haar thuis hadden ze ook een café. Zij verstond het vak dus goed, een echte café-vrouw die wist hoe ze met de mensen om moest gaan. Ons café heette De Blauwe Steen. Daarom heb ik ook die blauwe steen daar op de hoek geplaatst. In het café zeiden ze nog wel eens, na wat borreltjes op: ‘ik geloof dat ik die steen maar eens meeneem vanavond!’. ‘Ik wens je veel succes!’ zei ik dan. In 1993 sloten we het café, maar de steen ligt er nog. Gelukkig, want die hoort daar ook!
Wat heeft u nog gedaan in uw leven nadat u het café sloot?
O, een hele hoop! Ik heb nog tot mijn zeventigste een slijterij gehad, waar nu de kapster zit. En ik heb gist gereden voor bakkers. Ben chauffeur geweest op de buurtbus van Kesteren naar Heteren. Heb appelflappen gebakken voor museumboerderij den Tip. Voor mijn vrijwilligerswerk heb ik nog een lintje van de koning gekregen. Mijn vrouw heeft helaas dementie gekregen en is 9 jaar geledenoverleden. Nog elke dag vind ik het jammer dat ik haar missen moet. Maar ik ben altijd bezig geweest, dus dat blijf ik ook doen. Als ik de hele dag alleen maar zit te zwaaien ben ik ’s avonds niet meer happy. Dus loop ik dagelijks een rondje door het dorp, ga ik regelmatig klaverjassen en rijd ik mijn kleinkind twee keer per week naar school. Je ziet het zelf wel als je hier zit: er is op mijn oude dag nog zat leven in de brouwerij!”
Bedankt Jacques, tot ziens maar weer – of zullen we zeggen: tot zwaais!
Dit artikel schreef ik binnen mijn cursus Journalistiek. Docent Wouter Scheepstra noemde het de ‘Man Bijt Hond-stijl’. Daar kan ik me wel in vinden. Februari 2023 verscheen het in de Zettense dorpskrant INZET.
