Op een motregenachtige dag maak ik met m’n zoontje een ommetje door Hemmen. Knoerten van paddenstoelen. En tuinmannen van Landgoed Hemmen die met hun snoeiwerk (naar eigen zeggen) ‘’weer orde op zaken stellen’’. Verder weinig actie op de zo goed als uitgestorven Boelenhamsestraat. ’t Is guur genoeg, dus stel ik mijn doel van een lange wandeling bij. Iets lekkers uit de fruitmuur trekken en dan rechtsomkeert naar huis, is het nieuwe plan.
Zo geschiedde – althans bijna – want plots valt ons oog op iets opmerkelijks. Voorzien van een flesje fruitsap spotten wij in de verte een blond figuur. Met kaplaarzen aan entert ze een weiland. En die kleine van mij vraagt zich (zo moeder, zo zoon) hardop af “wat is die mevrouw aan het doen?” In zo’n geval kan je als columniste van de dorpskrant eigenlijk maar één ding doen: het op de man – of in dit geval de vrouw – af vragen.
We komen dichterbij het tafereel. De dame in kwestie draagt een geel hesje en loopt met een spuit haar schapen achterna. Eén voor één besproeit ze de makke dieren. “Goh, we zijn wel heel benieuwd wat u aan het doen bent!” roep ik vanaf de straatkant. “Wat?” schreeuwt ze terug. Het zou zo een aflevering van Man bijt hond kunnen zijn.
Het waait loeihard, dus om me te kunnen verstaan komt ze dichterbij. Tegen het hek aan geleund voeren we een korte conversatie. En wat blijkt? De in Hemmen woonachtige Goudje van de Pol is voorzorgsmaatregelen aan het treffen voor een mogelijke blauwtong-uitbraak. “Beter het zekere voor het onzekere nemen.”
Blauwtong is nu echt zoiets waar ik wel van gehoord heb maar niets vanaf weet. Schijnbaar is het zo, vertelt Goudje me, dat blauwtong veroorzaakt wordt door ‘knutten’: een bepaald soort muggen. Die zijn meegelift op “Italiaanse schepen die onze havens binnenvaren.” Daarna verspreiden de muggen zich door het land, een spoor aan slachtoffers achter zich latend. “De schapen vallen bij bossen om” verklaart ze. “Dat risico neem ik liever niet. Er zijn bij mij al eerder dooien gevallen, dat nooit meer.”
Het wordt me al snel duidelijk dat Goudje tot het uiterste gaat om haar beesten gezond te houden. Ook als dat om de zoveel dagen ‘sproeien’ is met vliegenbestrijding (“niet bewezen dat het helpt, maar het proberen waard”). “Al moet ik mijn schapen een halfjaar lang elke dag op mijn knieën voeren, met natgemaakte oude boterhammen of appelmoes, ik doe het hoor.” Ik geloof haar direct.
In de tussentijd begint het harder te regenen. “Ik ben optimistisch van aard, maar zuur is het soms wel. Of de wolf pakt ze, of die rotmug” zegt ze. Tja, zo blijkt maar weer dat het leven van een Hemmense schapenboerin niet over rozen gaat. Al is Goudje niet voor één gat te vangen.
Ze wijst naar de rode stippen op de schapenbillen: “ze zijn in ieder geval al wel weer gedekt.” Daar waar die knut wellicht deze winter het lootje legt, strijdt de schapenboerin door. “Ik ga er gewoon weer vrolijk vanuit dat ze komend voorjaar weer lammeren.”
Lente in Hemmen, met blakende lammetjes in het veld. Daar kunnen we ons – als het aan Goudje ligt – alvast op gaan verheugen.
