Langer licht. Eindelijk. Het is weer lente, dus nemen we het ervan. Vroeg avondeten en dan nog even de laatste zonnestralen meepikken. Vlaflip in de tas en gassen met die loopfiets.
Zo is het een doodgewone dinsdagavond als we nog door Zetten zwerven. Waarheen dit keer, denk ik hardop. De Linge, het plein, het bos? “Mag ik vandaag de baas zijn?”, vraagt Jona. Kleutertaal voor: de route kiezen.
Een fantastisch idee, vind ik. Even geen knopen hoeven doorhakken, de keuzes door een ander laten maken. “Oké, ik volg jou”, stem ik in. Hij gaat er spontaan sneller van lopen.
De Kleine Baas heeft zijn pijlen – ik had het kunnen weten – namelijk op dat éne plekje gericht. “Het Avonturenpark”, zegt hij vastberaden. Enig idee waar dat is? Doe een gok? Nee, niet de Efteling. Ook niet Koningin Julianatoren. Denk kleiner. Denk Zetten. Denk dat-paadje-achter-de-Okkernoot.
Als ik iets aan het ouderschap een eye-opener vind, is dat het wel. Hoe voor een vierjarige zo ongeveer de hele wereld onder de categorie Groots Avontuur valt. Sommige volwassenen verleren dat. Ikzelf vergeet het ook regelmatig. Tot hij me er weer aan herinnert.
De Kleine Baas loodst me naar De Plek. Walhalla-voor-het-dorpskind. Waar alles mogelijk is. Waar je ongedwongen rondhangen kunt. Waar je – als je durft – gekke trucs kunt doen. Met maar liefst vier toestellen voor je skateboard. Of je BMX of welk voertuig met wielen je er dan ook op wagen wilt.
We zijn er bijna als Jona opmerkt dat er ‘Groten’ zijn. Ja, ’t is bezet, constateer ik. Het onmiskenbare signalement van pre-puberjongens doemt op. Die wil je niet storen. “Laat ze maar joh, wij gaan wel een andere keer”, stel ik voor.
De Kleine Baas denkt daar anders over en dendert er in volle vaart op af. Schaamteloos entert de stuntpiloot het territorium. De Groten racen door. De skate-objecten op en af. Dus hij óók. Met z’n kleine, fijne, rode fietsje. “Zóóóóó hé, die heeft wel lef, hè”, grijnst het groepje. Het ijs is gebroken.
Ze hebben zo’n kauwgumballenstrip waar je kauwgumballen uit kan drukken. En glimmende, blitse mountainbikes met strepen, velgen en spatborden. “Mogen we meedoen?” Dat vinden ze best.
Maar ‘voor wat, hoort wat’ geldt voor elke straatbende en deze niet uitgezonderd. “Jongetje, mag ik je fiets lenen?” vraagt de grootste al snel. Hij blijkt Keano te heten en dertien te zijn. Keano vliegt op het mini-fietsje van de hoogste heuvel naar beneden. “Wajooooooooo”, roept hij. Het hele parcours maakt hij af. Onder luid gejuich van de rest. De Kleine Baas glundert.
Kian en Kian, beiden tien jaar, willen nu ook. Die ene Kian is het broertje van Keano. De andere Kian laat ons hun stek zien. “Schrijf effe in dat krantje dat we weer meer toestellen willen, oké? Daar was er nog een, maar die hebben ze weggehaald”, zegt hij verontwaardigd. “Vonden ze gevaarlijk ofzo.”
Hij wijst op een kale plek. En op een dooie rat. En op glas wat je niet in je band moet krijgen. Ik vind ze vreselijk stoer. Dat ze voor het donker weer thuis moesten zijn, doet daar niet aan af.
De tijd dringt. Het schemert, dus zit Kian op hete kolen. “Moet echt gaan van m’n moeder.” De broers knikken. Wanneer weer, wil De Kleine Baas nog weten. Binnenkort, beloven De Groten.
Ze trappen ‘m aan, nu echt. Als afscheidsgroet krijgen we nog een stukje Europapa. “Welkom in Europa, jonguh!” En dan sjezen ze – sneller dan het licht – de bocht weer om.
