(On)gelukslaan 13 – introductie rubriek

In deze reeks ontmoet ik mensen die – net als ik – op huisnummer 13 wonen. Bracht het van oudsher gevreesde getal hen daadwerkelijk ongeluk of bewees geluk het tegendeel? ‘Dertieners’ maken de balans op.

Ik had vroeger een bordspel. Het heette Ongelukslaan 13. Alles wat er mis kan gaan in een huis, gebeurt daarin ook. Je kan met je poppetje van de trap af vallen. Een zwaar voorwerp op je hoofd krijgen. Zelfs geroosterd worden door het haardvuur.

De maker van het spel koos niet voor niets voor nummer 13. Het is namelijk linea recta verbonden aan een eeuwenoud bijgeloof. 13 zou garant staan voor sores.

Waar het precies vandaan komt, is onduidelijk. Eén stevige theorie is dat het verwijst naar Judas. Hij was – naast Jezus en de 11 apostelen – de dertiende aan tafel bij het Laatste Avondmaal. Het maakt in ieder geval dat mensen, ook vandaag de dag nog, zó bang kunnen zijn voor nummer 13 dat er een speciale term voor is. ‘Triaskaidekafobie’ – ja echt: de angst voor nummer 13.

Zo zijn er vliegtuigen zonder dertiende rij. Flatgebouwen zonder dertiende afdeling. Sporters die rugnummer 13 steevast weigeren. De schrijver Gerard Reve – die op een dertiende december ter wereld kwam – werd zelfs een dag later in het geboortedag geregistreerd.

In Hemmen en Zetten doen we wel aan het beruchte cijfer. Ik kan het weten, want ik wóón in zo’n huis. Met een duidelijke 13 naast de voordeur. Opgefleurd en ingelijst: je kan er maar beter het beste van maken. Al kwam het als een verrassing, geef ik toe.

Voordat mijn huis namelijk mijn thuis was, was het een bouwkavel. Nummer 15 in de reeks huizen die gebouwd werd. Maar toen de eerste twee huizen aan een andere straat werden toebedeeld, bleek ineens dat ik nummer 13 zou krijgen. Héél even moest ik slikken. Toch dat stemmetje in mijn achterhoofd, dat zei: ‘jíj en het ongeluksgetal, zul je net zien…’

Ik liet het al snel achter me, maar word er nog vaak aan herinnerd. ‘Vind je dat niet gek?’, vroeg een bekende laatst. ‘Ik zou er toch de kriebels van krijgen’, zei ze lachend. Het zette me wel aan het denken: zat daar voor haar misschien een kern van waarheid in?

Mij geeft het in ieder geval aanleiding genoeg om eens op zoek te gaan naar de andere ‘dertieners’ in onze dorpen. Wat vinden zij er nou eigenlijk van? Wat bracht het wonen op nummer 13 hen?

Om zelf maar de aftrap te geven, vroeg ik het gisteravond aan mijn zoontje. ‘Wat denk jij: hebben we meer geluk of ongeluk in dit huis?’ Je zag hem denken. Hij pakte zijn lego-auto erbij, ter demonstratie. ‘Een auto op de kop is ongeluk’, zei hij stellig. ‘Maar een auto die rijdt, is geluk. Onze auto rijdt nog, toch?’

‘Dat is waar, maar geluk is toch meer dan dat?’ spoorde ik aan, hopend op een of ander alleszeggend antwoord. ‘Ja’, knikte hij. ‘Wanneer je een snoepje mag. Óf een koekje. Dat kan ook.’ Met ons geluk zit het wel goed, concludeerde ik. In dit huis groeide hij op tot de vrolijke vijfjarige die hij nu is.

Wij zijn – even afkloppen – sinds nummer 13 niet door ongeluk geteisterd. Hooguit door het verkleinwoordje ervan, zo af en toe. Een kopstoot tegen het keukenkastje. Een bord dat op de grond klettert. Maar dan kan je altijd nog beweren dat scherven geluk brengen. En dat doe ik dan ook.